SCRIPTDESK

Steekspel: een scenario schrijven met je publiek

Op 28 maart 2013 gaat Steekspel in première. Op 20 september 2011 gaf Paul Verhoeven het startschot voor wat hij zelf een ‘stap in het onbekende’ noemde: een film maken samen met het publiek, destijds bekend als de Entertainment Experience. Robert Alberdingk Thijm had de taak om samen met Verhoeven de ingezonden scenario’s op bruikbaarheid te beoordelen en er één geheel van te maken. 
Door Maarten Almekinders

Dit Artikel verscheen voorjaar 2012 in PLOT, Magazine over Scenarioschrijven. Robert zat toen midden in het maakproces.

De Entertainment Experience / Steekspel is opgezet door Ziggo, LG en Telegraaf Media Group. Een breed publiek wordt uitgenodigd om met hulp van bekende filmprofessionals op alle departementen mee te helpen een film tot stand te brengen. Het filmverhaal is opgebouwd uit 8 hoofdstukken van 3 à 4 minuten, waarvan deel 1 is geschreven door Kim van Kooten. Daar was Alberdingk Thijm nog niet bij betrokken.
Het verhaal begint met de verjaardag van Remco Albrecht (Peter Blok) waar alle 8 personages worden geïntroduceerd. We maken kennis met Remco’s cokesnuivende en zich comazuipende kinderen, er verschijnt een ongenode jonge vrouw voor de deur, er is gedoe rond een document dat wordt verbrand op het toilet, en de vraag dringt zich op: wat moet een zwangere vrouw met een tampon?
Met deze ingrediënten kon het publiek aan de slag. Uit de bijdragen werd deel twee samengesteld en op de site gezet als basis voor de schrijvers van deel drie. Alleen al voor deel twee kwamen 1700 pagina’s, ofwel zevenhonderd scripts binnen. Op iedere pagina gaf Paul Verhoeven met een codering aan of hij iets met het materiaal kon. Dat kon van alles zijn: details over een personage, bruikbare stukjes dialoog, een verrassende interactie tussen bepaalde personages. Soms was het script niet goed maar was het plotidee wel bruikbaar. Paul noemt het op de site ‘een puzzel van honderdduizend stukjes waar ze er honderd uit hebben gekozen die passen’.

Wat dacht je toen je voor het eerst die berg aan het doorlezen was?
Robert: “Die hebben we in eerste instantie verdeeld tussen Mita de Groot, Paul Verhoeven en mijzelf. Paul is de enige die alles twee keer heeft gelezen. Hij was vooral op zoek naar verhaalmateriaal. Sommige dingen die we tegenkwamen konden we in latere delen gebruiken. Je hebt niet zoveel minuten in totaal. Ik had eigenlijk verwacht dat er veel meer professionele schrijvers of studenten scenario mee zouden doen, maar dat was nauwelijks het geval.”

Hoe komt dat?
Robert: “Toen ik zelf begon als scenarioschrijver nam ik echt alles aan om maar te kunnen schrijven. Dat deed iedereen. Dat zie je nu minder. Misschien ligt het er aan dat schrijvers weten dat wat je schrijft er in zo’n proces niet onbeschadigd doorheen komt. Het gaat door een molen; ik weet niet of iedereen dat wil.”

Welke kant werd het verhaal in deel twee opgeduwd?
Robert: “Wat het meest in de smaak viel bij de schrijvers was het zuipen en het drugsgebruik van de kinderen. Een aantal inzendingen ging door op een drugsdeal, maar dan ben je snel weg van je hoofdpersonen. En seks natuurlijk, ik denk dat we alle combinaties van onze personages wel hebben gehad. Wat ze ook inspireerde was de vriendschap tussen Lieke en Merel. En hele ingewikkelde verhalen over de businessdeal.”

Wat was niet bruikbaar?
Robert: “Dialogen, eindeloze scènes met dialogen, karakters die praten over wat er met ze aan de hand is. Ik denk dat dat is wat soap heeft gedaan met Nederland.” Welke dingen kon je juist wel gebruiken? Robert: “Sommige inzendingen waren ontzettend lomp, seksueel; Tobias die Merel ging vastbinden. Daar zou ik niet snel opkomen. Dat zit niet in mijn eigen systeem als scenarioschrijver. Paul vond het wel meteen leuk dat er een ‘hard flirtation’ aan de gang was. Dat hebben we doorgezet. Paul is onconventioneel: het maakt hem niet uit of een scène goed opgebouwd is. Die mag in ieder geval nooit saai, en moet vooral visueel zijn. Mise-en-scène is weer wel belangrijk voor hem.”

Met de ervaring van deel twee hebben de makers een instructiefilmpje gemaakt voor de schrijvers van deel drie. Dat gaat nogal over de basisprincipes van wat er in een script thuishoort en wat niet.

Was dat nodig?
Robert: “Mensen hebben geen idee. Maar die filmpjes zijn ook een belangrijk onderdeel van het project. Het is een interactief proces met een grote groep mensen en je moet onderweg uitzoeken hoe dat werkt. Je moet kijken hoe je een dialoog tot stand brengt. Op een bepaald moment hebben we een workshop georganiseerd met honderden mensen in Studio K. We hebben allerlei vragen beantwoord, zijn in discussie gegaan over het verhaal. Een soort Poolse landdag over scriptschrijven. Wel hartstikke leuk om te doen.”

Kun je iets zeggen over de participatie van schrijvers?
Robert: “Gedurende het traject vallen er mensen af, je houdt een vast clubje over. En die zijn dubbel gemotiveerd.”

Peter Blok zegt over zijn rol (Remco) dat hij niet weet waar het naartoe gaat met zijn personage. Daarom speelt hij reacties zo dat het nog twee of drie kanten op zou kunnen.

Hoe ga je om met interactiviteit?
Als er in deel drie iets heel leuks wordt bedacht, kun je dat met terugwerkende kracht aanpassen in deel één? Robert: “Nee. Dat is inherent aan deze manier van werken. We hebben het proces omgedraaid: we schrijven eerst het script en kunnen pas achteraf het verhaal vaststellen. En dan ben je ook nog een ensemblefilm aan het maken met acht karakters. Dat is best lastig. We hebben getwijfeld of we in het begin meer dingen moesten vastleggen, maar we hebben toch besloten dat aan de community over te laten. Kleine dingen kunnen wel. We hadden bijvoorbeeld iets ingewikkelds gedaan met een tampon in een prullenbak. Een van de deelnemers had die in de plee gedaan, wat veel handiger was. Dat hebben we ook zo opgenomen. Het motto is een beetje: je kunt veel dingen niet doen, maar je krijgt er veel extra’s van het publiek voor terug.”

Wat hebben Kim en Paul al bekokstoofd over een lange lijn of een plan B?
Robert: “Niks. We hadden zelf geen idee hoe het af zou moeten lopen.”

Hebben jullie al een paar talenten op het oog?
Robert: “Eerder vijf dan vijftig. Maar daar gaat het ook niet om. Er zijn veel deelnemers die in een groepje schrijven en er ongelooflijk veel plezier aan beleven. En er waren best veel scènes goed geschreven maar niet bruikbaar in het verhaal. Je hebt veel talentenprogramma’s waarbij deelnemers een dansje of een lied heel goed kunnen uitvoeren, maar dansjes zijn door choreografen gemaakt en muziek door componisten. Professioneel iets schrijven is een grote stap. Als je gericht bent op het ontdekken van talent moet je strenger selecteren in een aantal rondes, meer een afvalrace. En dan laten toetsen door ervaren scenarioschrijvers. Maar voor Ziggo gaat het er veel meer om dat een grote groep liefhebbers bezig is met film.”

Hebben deelnemers een ander beeld gekregen van het vak scenarioschrijven?
Robert: “Ze werken voor het eerst met een scenarioprogramma, ze krijgen advies. Wat erg goed werkt is dat mensen beseffen hoe ingewikkeld het is. Je maakt aan een grote groep mensen duidelijk wat de rol is van scenarioschrijvers. Het is voor het eerst dat mensen onder de motorkap van een film kunnen kijken.”

Wat heb door dit project geleerd over interactiviteit of crowdsourcing?
Robert: “Als je wilt dat er een beter script ontstaat of dat er goede schrijvers komen bovendrijven moet je deelnemers meer laten samenwerken met ervaren scenarioschrijvers. Voor een volgende keer zou het leuk zijn om dingen uit te proberen met ander genres. Bijvoorbeeld een crimi. Een whodunit werkt goed in deze opzet.”

De eindstreep is in zicht. Wat gaan jullie nog doen?
Robert: “Waar we nu op focussen is hoe je de moraal overboord gooit, hoe je personages kunt laten doen wat ze nou juist niet zouden moeten doen. Van deel zeven komen nu de inzendingen binnen en dan gaan we in deel acht de eindjes aan elkaar knopen. We hebben daar zelf een meer sturende rol in.