SCRIPTDESK

De documentaire langs de lat van het Gouden Filmidee

Documentairemaakster Maartje Nevejan had slechts één dag de tijd om een subsidieaanvraag voor te bereiden en zag zich dus genoodzaakt snel tot heldere keuzes te komen. Met dat doel legde zij haar plan langs de tien Regels van het Gouden Filmidee uit het boek van Paul Ruven en Marian Batavier en kwam toen tot scherpe inzichten: ‘Als je wil dat je werk door zoveel mogelijk mensen wordt gezien, kun je juist die dramawetmatigheden inzetten om te zorgen dat zoveel mogelijk mensen meegaan in je verhaal.’

Door Eveline Verwoerd

Hoewel die ‘Gouden Regels’ toegespitst zijn op de ontwikkeling van speelfilms (Hollywood blockbusters met name), vond Maartje ze perfect van toepassing op haar documentaireplan. Deze regels hielpen haar  namelijk zeer precies te zijn in wat ze met haar documentaire wilde vertellen en daarmee dwongen ze ook een bepaalde vorm af. Zelf is Maartje van oorsprong theatermaakster en en ook heeft ze vroeger zelf veel gespeeld. Werken met dramawetten was haar dus al niet vreemd en daarom was ze er ook niet huiverig voor die toe te passen in in haar documentairewerk.

Wat zijn dan die Gouden Regels?

1. DNA-titel
De titel moet je idee verkopen, dus moet als het ware het DNA bevatten van je filmverhaal.  Idealiter zit er alles al in, of de titel suggereert in elk geval iets essentieels van je film. Een DNA-titel dicteert zelfs het verhaal. Als je namelijk de juiste titel hebt, kan de rest van het verhaal verzinnen soms razendsnel gaan. En zo’n DNA titel communiceert ook helder met je publiek: ze weten wat ze kunnen verwachten, worden op basis daarvan naar de bioscoop of naar een scherm thuis getrokken en worden vervolgens niet in hun verwachtingen teleurgesteld. Een laatste kenmerk van een goede titel is dat het emotie oproept.

Maartje heeft een project in ontwikkeling over genocide. Aanleiding van het project was een voorstelling van Annemarie Prins over de genocide in Cambodja die op tournee gaat in Rwanda, een ander land, op een ander continent, maar met soortgelijke genocide-ervaringen. Omdat de slachtoffers eigenlijk allemaal in hetzelfde schuitje zitten, ontlokte dit bij Maartje opeens de titel: YOU’RE NOT ALONE, THERE’S ANOTHER GENOCIDE. Voor haar gaf dit meteen het DNA van het project weer, de motivatie namelijk om mensen te laten voelen dat ze niet alleen staan in hun vreselijke herinneringen. En het riep meteen emotie op, namelijk de verwachting dat de film ruimte zou bieden aan troost en heling.

2. Het juiste genre
Hollywood werkt met genres waar vastomlijnde elementen en verhaalstructuren aan vastzitten. Het vasthouden aan die bekende regeltjes focust je verhaal, helpt om het makkelijker te verkopen, en communiceert helder wat het publiek kan verwachten. Niet altijd kiest een schrijver van begin af aan het beste genre voor zijn verhaal. Een voorbeeld is de film THE TERMINAL, waarin de makers pas na vele niet-werkende versies het inzicht kregen dat het een ‘escape-film’ moest zijn. Pas na deze doorbraak viel alles op zijn plek en is de film daadwerkelijk gemaakt.

Een zelfde aha-erlebnis ondervond Maartje bij het ontwikkelen van een transmediaproject rondom het 50 jarig bestaan van het Nationaal Ballet: DE CANTA DANST,  waarin het gaat om het samenbrengen van de balletdansers van het gezelschap met bestuurders van Canta (invalide)autootjes. Verschillende Hollywoodgenres passeerden de revue, maar uiteindelijk keerde Maartje steeds weer terug bij de omschrijving: ‘feelgood’. Feelgood is weliswaar geen genre op zich maar geeft wel een richting in de juiste toon en sfeer. Maartje kwam mede daardoor op het idee om de twee partijen in de film (de dansers en de Canta-bestuurders)  te benaderen als twee kampen die aan het begin van de film heel ver uit elkaar staan en pas gaandeweg dichter naar elkaar groeien en uiteindelijk in een feelgood einde in harmonie gaan samenwerken.

3. Een zich ontwikkelende hoofdpersoon
Een filmverhaal is verandering en de kern van de verandering zit in de hoofdpersoon (behalve in actiefilms waarin we Helden volgen in plaats van echte Personages). De hoofdpersoon zit aan het begin van de film nog in zijn tweedekeusleven, waarin hij niet maximaal gelukkig is en zich niet optimaal heeft ontplooid. Tijdens de film wordt de druk steeds groter om toch naar het eerstekeusleven te grijpen, maar angst houdt hem tegen. Pas als hij deze angst loslaat, kan hij groeien naar zijn betere en gelukkigere zelf. Kijkers kunnen zich goed identificeren met deze zelfverkozen gevangenis en voelen daarom een emotionele ontlading als de hoofdpersoon zich daar eindelijk uit bevrijdt.

4. De tegenstander is een onoverwinnelijk probleem
Het grootste gedeelte van de film gaat over het oplossen van een (schijnbaar) onoverwinnelijk probleem. En dus moet je een hoofdpersoon kiezen die juist zo ongeschikt mogelijk lijkt voor dat probleem, want anders is de film te snel afgelopen of te saai om naar te kijken. Het probleem moet verder het ergste zijn wat je hoofdpersonage kan overkomen, maar uiteindelijk – omdat het hem helpt zijn angst los te laten- wordt het juist zijn redding.

In het Canta-plan van Maartje zaten twee groepen personages die door de confrontatie met elkaar ook inzicht krijgen in hun vooroordelen over de ander en hun eigen angsten. Voor de balletdansers is het heel wat om zich uit hun eigen rigide, gedisciplineerde en strak omlijnde wereldje te stappen en de chaos toe te laten van de Cantarijders, waar niet alleen invalide mensen bij zitten maar ook losbandige jongeren,  alcoholisten wiens rijbewijs is ingetrokken en andere net-buiten-de-maatschappij staande types. Maar ook voor deze groep is de samenwerking eng, om zich in te laten met de onbekende high brow cultuur van het Nationale Ballet. Beide groepen geven eigenlijk daarmee de veilige wereld van hun vertrouwde leventje op, teneinde hun horizon te verbreden naar een eerste keusleven.
Toen Maartje dit allemaal inzag, draaide ook haar gevoel over de productie om- eerst zag ze het vooral als een lastige klus om deze groepen bij elkaar te brengen die niets met elkaar hebben, maar pas toen begon ze dit dramatisch conflict juist als de gouden essentie van de film te zien.

5. De tijd/arena moet een extra probleem met zich meebrengen.
Het levert veel op als je een tijdsspanne voor je verhaal kiest die extra druk geeft op het hoofdpersonage om het probleem op te lossen of als de arena die je kiest (extra) problemen met zich meebrengen. Ruven en Batavier geven als voorbeeld een filmidee over een Roma-meisje dat balletdanseres wil worden. De arena levert problemen op door de woeste, onaangepaste cultuur van de Roma in de gecultiveerde balletwereld te plaatsen. De tijd kan nog een extra probleem opleveren als je dit filmidee zou laten afspelen net voor de Tweede Wereldoorlog en het meisje dus ook met deportatie wordt bedreigd.

Bij het Cantaproject zat de tijdspanne er vanwege het 50-jarige jubileum al op een natuurlijke wijze in. Bij het genocideproject is wel doelbewust gezocht naar een geschikt moment om de film op te nemen. Maartje kwam toen uit bij de Week van de rouw, die in Ruanda jaarlijks wordt gehouden, waarin mensen bewust de ellende opzoeken en herdenken. Dit gaf dus een ideale arena & tijdsspanne om het filmplan verder op toe te spitsen.

6. Helende families
Alle grote films gaan volgens Ruven en Batavier over een familie die aan het begin van de film geen familie (meer) vormt en aan het einde van de film het alsnog weer is geworden. Gaandeweg de film leren de familieleden opnieuw wat het is om vriendschap, intimiteit en vooral onvoorwaardelijke liefde te voelen. Of de familie leert tijdens de film het verlies van een familielid te verwerken, en pas aan het einde voelen ze zich ondanks dat verlies weer ‘compleet’. Familie kan letterlijk genomen worden, maar ook bijvoorbeeld een groep vrienden of collega’s kan als helende familie fungeren.

In het genocideproject zat ‘helende families’ er er al als de kern van de film in. Maar het gaf Maartje wel het idee dat ze ze dit thema consequent naar voren moest halen. Daarom pikte ze uit de voorstellingstekst van Annemarie Prins juist de tekstregels eruit die over dat helingsproces gaan.
Ook in het Cantaproject is ze naar dit thema op zoek gegaan, op een luchtiger manier, dat wel. Zo interviewt ze steeds 2 personen tegelijk: een ballerina en een invalide Canta-rijder en laat ze beiden over het onderwerp ‘pijn’ te laten praten. Balletmensen hebben eigenlijk altijd pijn, omdat ze hun lichaam oprekken. Als ze dansen overstijgen ze hierdoor de beperkingen die wij, “gewone” mensen hebben met bewegen en verdwijnt hun pijn eventjes. Gehandicapte Canta rijders hebben ook altijd pijn en beperking, maar het Canta autootje zorgt letterlijk voor hun in beweging zijn. Het zou wel eens kunnen dat Cantarijders beter met pijn om kunnen gaan dan ballerina’s en ze elkaar kunnen helen….

7. De finishlijn
Een filmverhaal is vergelijkbaar met een wedstrijd tussen de hoofdpersoon en de tegenstander. Bij een wedstrijd ken je de spelregels: wie het eerst over de spelregels komt, heeft gewonnen. En dan is de wedstrijd afgelopen. Zo is het met een filmverhaal ook: je moet een finishlijn creëren, de beslissende climax, die al aan het begin van het verhaal wordt aangekondigd. Het moet ook een meetbare en zichtbare finishlijn zijn. Bijvoorbeeld in LITTLE MISS SUNSHINE: gaat het de familie lukken om op tijd bij de Missverkiezing te zijn?

Beide projecten van Maartje bevatten al snel een duidelijk concrete finish, het einde van de Week van de Rouw, en het voltooien van de voorstelling bij het 50 jarig jubileum. Los van die concrete finishlijn, wordt er ook een duidelijke spanningsboog gecreëerd rond de vragen:
Zal het de Cambodjanen lukken om samen met de Rwandezen te rouwen en dus minder alleen te zijn? En: Zal het de Cantarijders lukken om samen met Het Nationale Ballet tot een leuke, spannende voorstelling te komen, ondanks alle obstakels?

8. De tweede kans
Dit is min of meer een herhaling van wat Ruven en Batavier al omschreven bij regel 4. De hoofdpersoon krijgt OF creëert in de film een tweede kans om alsnog iets van zijn leven te maken.

9. Superhoge inzet van de hoofdpersoon
Het is belangrijk om wel iets op het spel te laten staan voor het hoofdpersonage. Met andere woorden: hij krijgt dan weliswaar een tweede kans op geluk, maar hij moet ook iets te verliezen hebben. Dat verhoogt de spanning of hij wel of niet zijn doel gaat bereiken en zorgt er ook voor dat we de hoofdpersoon bewonderen als het hem eindelijk lukt. Dat wat hij te verliezen heeft moet groots zijn, een catastrofe, in elk geval in eigen ogen.

Bij het Canta-project was het mogelijke verlies ook bij beide ‘kampen’ aanwezig. Voor de Canta was dat een bepaalde angst om iets fout te doen, dat zich vertaalde in stoere opmerkingen tegen Maartje: ‘Ik ga echt niet balletten hoor…’. Voor de balletgroep was het ook eng om zich in dit onbekende, vreemde project te storten, met het risico dat het mislukt en dat de groep daardoor reputatieschade oploopt. Maartje besloot dit gemeenschappelijke probleem van gezichtsverlies juist te gebruiken om te benadrukken dat beide groepen iets gemeenschappelijks hebben, om daarmee verbroedering op te roepen.

10. Visie
Elke goede film draagt twee botsende standpunten uit. Het s belangrijk dat deze standpunten erg aan elkaar gewaagd zijn en dat ze allebei hele goede argumenten hebben. Slechts een van deze standpunten komt als winnaar uit de bus. en dat winnende standpunt vertegenwoordigt je visie als schrijver op het verhaal. LITTLE MISS SUNSHINE bestaat bijvoorbeeld uit de twee standpunten: ‘Alleen winnaars tellen mee in de maatschappij’ tegenover het standpunt; ‘Meedoen is belangrijker dan winnen’. Pas aan het einde van de film komt het kleine meisje dat Miss wil worden tot de conclusie dat het tweede standpunt waar is, en de kijker met haar.

Maartje formuleerde voor zichzelf haar visie op het genocideplan en heeft daar vervolgens het hele plan op nagelopen. Een goede visie laat zich in 1 zin samenvatten. Eerst maakte ze er een zin van met heel veel komma’s en tussenzinnen, maar pas toen er 1 kernachtige zin uit kwam rollen, gaf het werkelijk focus. De visie formuleerde ze als volgt: Door te spreken, ben je minder alleen en kan er heling plaatsvinden.
Haar motivatie als filmmaker was om te onderzoeken of dit daadwerkelijk bereikt kan worden bij de twee groepen genocideslachtoffers. Door vraagtekens te zetten bij de visie, komt ook het conflicterende standpunt aan bod en bevat de film dus een soort discussie van twee standpunten waarbij een van de twee uiteindelijk zal winnen. De zeggingskracht van de visie wordt alleen maar sterker als het ter discussie is gesteld.

Meer over de projecten op de site van Maartje Nevejan.
De twee plannen waar ze in bovenstaand artikel over spreekt zijn nog in pre-productie. Haar documentaire: DE PRIK EN HET MEISJE over een moeder die twijfelt of ze haar 12-jarige dochter het baarmoederhalskankervaccin moet geven is 19 mei a.s. te zien op NL2 bij HUMAN.

Het boek van Paul Ruven en Marian Batavier: “Rijk door 1 zin- het gouden filmidee” is o.a. te koop bij Bol.com